terug

Feestje bij de buren

april 2006

Afgelopen zondag was de grote dag van Ugur, mijn buurjongen van 7 jaar oud: hij werd besneden. Groot feest dus, en dan is, ook bij een arm boerengezin, de kamer en het balkon vol met visite. Het bezoek werd vanaf 12.00 verwacht. De vrouwenafdeling was beneden: ongeveer 10 vrouwen zaten deels op banken, deels op de grond. Hanim was de enige bekende en ook de enige andere niet-gehoofddoekte.
Cemis, de moeder van Ugur, schommelde bedrijvig heen en weer. Van tijd tot tijd daalde vader Esref van de mannenafdeling boven af, om buiten mee te helpen met de maaltijd die in enorme pannen werd klaargemaakt. Daar tussendoor sprong Ugur en zijn gezicht stond wat strakker dan anders. Zijn vriendje met dezelfde naam, zoon van Hanim, was al een jaar eerder besneden en keek zo mogelijk nog strakker: hij wist het. Heel solidair week hij geen moment van zijn vriendjes zijde en hield hij de ouderen nauwlettend in de gaten.
Dit soort samenzijn kan eindeloos duren en ik wilde absoluut geen fouten te maken, want het ging om mijn kleine vriend. Hij had me al een ferme handdruk gegeven alsof hij hoopte zijn mannelijkheid daarmee alvast te bevestigen. Ik vroeg aan zijn moeder hoe de procedure in elkaar stak. Ongeveer om twee uur zou de ‘dokter’ komen. Ugur zou geen mooi prinsenpak dragen, zoals rijke jongetjes, om de pil te vergulden.

Rond enen begonnen de mannen boven met het gebed; de zangerige, wat melancholieke tonen regen zich in eindeloze slierten aaneen. Altijd mooi om te horen, maar nu kreeg het een enigszins onheilspellende bijklank. Ook de vrouwen gingen net even iets harder door met waar ze mee bezig waren, net ietsje luider, waardoor je duidelijk hun betrokkenheid voelde bij de dingen die zouden komen. Aan hun gezichten was echter niets af te lezen. Ugur en zijn vriendje leken als bevroren. Ugur probeerde zich te verbergen in een gordijn: hij wikkelde zich in, tot alleen het puntje van zijn neus naar buiten stak. Misschien droomde hij zich even helemaal weg van hier, ver weg ….. maar een van de vrouwen had hem in de gaten: ‘Hup, naar buiten jij!’
Het benauwde me binnen en ik zocht een plek op het grote schemerachtige balkon. De betonnen vloer was bedekt met rieten matten en daarop grote bebloemde kussens. Zacht wiegende druiventakken omlijstten het uitzicht over de vlakte beneden die zich uitrolde naar de zee. Hanim was mij naar buiten gevolgd. Kinderen renden in en uit. Nog steeds kwamen er nieuwe bezoekers bij.

En plotseling was hij daar, de besnijder. Ik wist zeker dat hij het was doordat ik Hanim onderdrukt hoorde zuchten. Met zijn hooggesloten jasje zonder revers deed hij eerder denken aan een Mao-burger, maar dan in stralend witte uitvoering. Aan zijn hand bungelde achteloos een grote sporttas waarin ik al zijn scherpe attributen vermoedde. Snel liep hij door naar binnen. Hij heeft vast nog veel andere klanten, bedacht ik: het is de laatste zondag voordat over een week de school begint, en als het meezit kunnen al die jongens volgende week weer gewoon naar school.
De kinderen verdrongen zich voor het raam dat uitkwam op het balkon, gingen op de vensterbank staan, hangend aan de spijlen voor het raam: kennelijk was Ugur al daarbinnen. Ook Hanim liep heen en weer, wierp een steelse blik naar binnen. Ik had graag willen weten wat daar gebeurde, maar stond niet op. Dat zou genant zijn voor Ugur, die waarschijnlijk zonder onderbroek op zijn vaders schoot zat, stevig omkneld door armen die zwaar werk gewend zijn. Je zal daar maar zo zitten terwijl de hele buurt in je kruis kijkt.
Opeens stoven kinderen weg van het raam – alsof een bak water in een kippehok werd gegooid. Pakte de ‘dokter’ nu zijn mes? ‘Gec, gec, bakma’, schreeuwde Hanim terwijl ze half een blik naar binnen wierp en ‘ai, ai’ riep. Hoe kan die man bij schemerlicht goed werk verrichten, vroeg ik me af terwijl ik me dieper in de kussens drukte.

Maar we werden allemaal naar binnen geroepen voor het eten. Op de grond werd een groot laken uitgespreid, borden neergezet, en alle vrouwen namen plaats en staken voeten of knieën onder het laken. Schalen vol met sober maar lekker voedsel werden neergezet en iedereen schepte het bord vol of prikte uit de gemeenschappelijke schaal. Stukken brood werden gescheurd en rond gedeeld. Deze manier van eten is leuk, en waarschijnlijk een overblijfsel van de tijden dat de Turken als nomaden over grote vlaktes trokken en in de zijtas op het paard alleen plaats hadden voor een simpele doek en wat kommen.
Mijn overpeinzingen werden verstoord door een snerpende kreet uit de kamer naast ons. Het was gebeurd. ‘Agh-agh’, zuchtte Hanim naast mij. Moeder bleef de borden van haar gasten volscheppen, onophoudelijk speurend of iemand te kort kwam. Ik wist dat haar hart bij Ugur was, want ze is dol op hem, maar zo heeft iedereen zijn of haar rol te spelen. Waarschijnlijk ontging haar het gedrag van haar vierjarige dochter die verschrikt rondkeek vanuit de hoek van de kamer, haar rok optilde en, niet gehinderd door een onderbroek, haar geslachtsdeel stevig vastpakte. ‘Gaat dit met mij ook gebeuren, of is het misschien al gebeurd!’ dacht ik te lezen in haar angstige ogen.
Eén van de vrouwen begon een gebed. Hanim stootte me aan dat ik mee moest doen. Wat dan? Handpalmen openen en naar boven richten. Oké, ik bid mee tot iedere goede God. De meeste vrouwen hielden hun ogen open. Waar zou het gebed over gaan? Over het stukje huid dat weg moest? Op zich ben ik daar niet op tegen. Door toevallige omstandigheden ben ik meer vertrouwd met besneden penissen dan hun geklede variant, en ik moet toegeven dat de besneden penis er kloeker, manhaftiger uitziet, wat minder ‘lullig’, zou ik zeggen. En verder schijnt het ook frisser in het gebruik te zijn. Maar om daar een hele cultus van te maken? Zou het niet beter zijn als het veel jonger gebeurde en onder een flinke verdoving? Nee, nee, zeggen ze hier: het is gemeen om kleine kinderen die helemaal nog niets kunnen begrijpen, zo’n angst aan te jagen. Daar valt wat voor te zeggen. Zelfs zuigelingen kunnen trauma’s beleven.

Daar werd Ugur de kamer binnengebracht door zijn vader en de besnijder. Zijn tranen waren nog niet opgedroogd, maar huilen deed hij niet meer. Dapper hield hij met duim en wijsvinger het lange T-shirt zover mogelijk van zich af zodat het niet zijn wond kon raken. Hij werd op de canapée geïnstalleerd: een bouwsel van een laken over opgestapelde kussens aan weerskanten. Vandaar kon hij de felicitaties in ontvangst nemen. Langzaamaan kwam iedereen naar hem toe, kuste hem, sprak een kort woord, en stopte wat bankbiljetten onder zijn kussen. Wie weet is de pijn minder erg als je openlijk en temidden van de hele familie en buurt mag lijden. Graag wilde hij op de foto en dat was mijn taak als buitenlandse buurvrouw.

Een paar dagen later kwam hij samen met zijn zus op bezoek. Hij liep wijdbeens, maar droeg een rok van zijn zus en dat veraangenaamde zijn situatie – waarschijnlijk de enige keer in zijn leven dat hij zonder schaamte een dameskledingstuk zou dragen. ‘Deed het veel pijn?’ vroeg ik. ‘Nee, het had niks te betekenen,’ zei hij stoer. Alweer een sterke man erbij.